Onttrekkingsverbod door droogte

Update 06.08.2026

Het tijdelijk onttrekkingsverbod werd uitgebreid. Vanaf 7 augustus 2026 geldt een verbod in 119 van de 142 onttrekkingszones in Oost-Vlaanderen. De uitbreiding is het gevolg van de aanhoudende droogte en dalende waterstanden. Raadpleeg de kaart van de Provincie Oost-Vlaanderen om te bekijken of het verbod ook in jouw zone van toepassing is.

De gouverneur van Oost-Vlaanderen heeft het tijdelijk onttrekkingsverbod afgekondigd voor de onbevaarbare waterlopen en publieke grachten uitgebreid. Ook in Lievegem geldt er een onttrekkingsverbod in de onbevaarbare waterlopen en publieke grachten.

Bericht 14.07.2026

Tijdens het Provinciaal Droogteoverleg van maandag 13 juli 2026 werden de waterpeilen en weersverwachtingen besproken. Het voorbije jaar was erg droog, waardoor de waterreserves verzwakt de winter zijn ingegaan. Hierdoor waren al in de eerste helft van mei een aantal drempelpeilen onderschreden in een aantal onttrekkingszones, voornamelijk in het noorden en zuiden van de provincie, waarvoor een onttrekkingsverbod werd ingesteld. In de tweede helft van mei tot midden juni viel er voldoende neerslag om de waterstanden tijdelijk op peil te houden. Vanaf midden juni volgde echter opnieuw een droge en uitzonderlijk warme periode, wat zorgde voor een algemene daling van de debieten en waterstanden. Dit leidt momenteel tot kwetsbare situaties op meerdere locaties in de provincie.

Concreet mag er daarom tijdelijk geen water opgepompt worden uit alle onbevaarbare waterlopen en publieke grachten in 85 onttrekkingszones.

Op de onttrekkingsverboden van artikel 1 zijn volgende uitzonderingen van toepassing:

  • Onttrekkingen met weidepompen voor drenking van vee in weides. Weidepompen omvatten zowel mechanische weidepompen als weidepompen op zonne- of windenergie;
  • Onttrekkingen door hulpdiensten in geval van nood wanneer er geen alternatief voorhanden is;
  • Onttrekkingen voor het vullen van spuittoestellen om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken, op voorwaarde dat de gebruiker van de toestellen dusdanig te werk gaat dat er geen risico op puntverontreiniging is;